10/10/20 CULTUREEL CENTRUM VOORSCHOTEN

CHAMBER9: STRAYHORN & ELLINGTON

ARRANGED BY AXEL HAGEN for two guitars, drums, double bass & a string quartet

ft. Sanna van Vliet (vocals)

watch the trailer on YouTube



Thomas Winther Andersen

Bassist met een missie


tekst en plaatjes: Storm Bakker

augustus/september, 2020


Oslo

Thomas Winther Andersen groeide op in Oslo Noorwegen. Als kind van een zangeres erfde hij aanleg voor muziek, maar de cellolessen konden hem niet inspireren. De vlam vloog pas in de pan toen hij op de middelbare school van de muziekleraar een basgitaar in handen kreeg gedrukt. Hij raakte geïnspireerd door pop en fusion, spaarde als fruitplukker zijn eerste basgitaar bij elkaar en vormde een bandje. Gaandeweg verplaatste zijn interesse zich naar jazz. Hij ontdekte de muziek van Chet Baker, Lennie Tristano en John Coltrane, maar ook het album van pianist Mike Nock, met George Mraz en Al Foster maakte grote indruk. Doorslaggevende ervaring was evenwel dat hij als tiener naar binnen gesmokkeld werd om van dichtbij sessies van Elvin Jones en Arild Andersen bij te wonen in een kleine jazzclub in Oslo. De grote basmeester is voor Andersen nog steeds een lichtend voorbeeld, en dan met name wat hij met loopstations en effecten heeft toegevoegd aan de wereld van de contrabas. De geïnspireerde Thomas ruilde zijn cello voor een contrabas. Het werd het instrument dat hij tot op de dag van vandaag vol overgave bespeelt.

Balans

Op zijn 19de verhuisde hij op aanraden van zijn muziekleraar naar Nederland, om te studeren in Amsterdam. Hij belde met Arnold Dooyeweerd, kocht een enkele reis Amsterdam en werd toegelaten. Het was in de tijd vóór de fusie met Hilversum, toen het nog “vrijheid blijheid” was aan het Amsterdamse conservatorium, waar vooral zelfontplooiing en -ontdekking centraal stond. Zo had de Noor onder meer compositieles van ICP pianist Misha Mengelberg. Die zette hem vooral aan het denken. Zoals met de vraag of het wel nuttig was om een talent vol te stouwen met kennis. “Ik vind dat er op een conservatorium balans moet zijn, altijd ruimte voor discussie,” aldus Andersen nippend aan zijn eerste blonde bier, gekruid met citroen en koriander. “Studenten moeten wel kennis nemen van de traditie, maar met alleen maar nabootsen van de groten bereik je niets. Noem mij een van dergelijke epigonen die zelf iets te melden heeft! Als iedereen gaat nabootsen, doen we op den duur zelfs aan de groten zelf tekort.”

Amsterdam, New York

In die jaren raakte Andersen verknocht aan Amsterdam. Hij sloot er vele hechte vriendschappen, zoals met drummer Joost Kesselaar en speelde met de finefleur van de Nederlandse jazz, waaronder John Engels, Michiel Borstlap, Jasper Blom, maar ook Jimmy Halperin, Chander Sardjoe en Lee Konitz. Na zijn eindexamen in Amsterdam en zijn master-vervolgstudie in Den Haag kwam hij echter plotseling en onverwacht in een negatieve spiraal terecht. Zijn relatie liep onverwacht stuk, zodat hij zonder huis en geld, maar ook zonder verblijfsvergunning, urgentie en verzekering met zijn contrabas op straat dreigde te belanden. Het kan verkeren zei Bredero al. Juist op dat moment ontving Andersen van het FPK een studiebeurs voor overzee. In New York studeerde hij met pianist Sal Mosca en verdiepte hij zich verder in de muziek en methode van Lennie Tristano. “Die hele stad, clubs en musici; zonder plan is dat al een leerschool. Het onderwerp Tristano gaf mij een beetje houvast. In New York voel je dat iedereen in het publiek de groove en vibe van de jazz voelt; het is een natuurlijke referentie en niet gekunsteld." Eenmaal terug in Europa maakte Andersen een sliert platen onder zijn eigen naam en werkte hij mee aan albums van anderen, vooral pianist Robert Rook in wiens trio hij sinds jaar en dag gloreert.

Collage

We spreken af bij een café-restaurant langs het spoor. Andersen vertelt, nippend aan een frisse IJwit, wat hij de laatste jaren zoal gedaan heeft. Met zangeres Henriette verhuisde hij van Amsterdam naar Weesp. Hoewel gelukkig getrouwd, mist hij als jazzbassist het hoofdstedelijke leven wel een beetje. Hij zegt dan ook met een knipoog, dat hij zeer gelukkig is met de fusie van Weesp met Amsterdam in 2020. Hij is nog steeds actief met Robert Rook, maar ook met Axel Hagen (gitaar) in diens Strayhorn & Ellington-project en met zijn jeugdvriend Håkon Storm (gitaar) vormt hij een duo, dat om de zoveel jaren een nieuw album uitbrengt. Na ‘Patchwork’ ;Spinnaker' (Independent Music Award), verscheen vorig jaar de plaat ‘Flotsam’, Engels voor ‘juttersbuit’. Het tweetal werkte daarbij met de Argentijn Natalio Sued (tenor sax) en Mark Coehoorn (drums). Vijf van de dertien stukken werden geschreven door Andersen, die als componist naarmate hij ouder wordt -naar eigen zeggen- steeds meer tot de essentie doordringt en zich minder verliest in ritmische complexiteit. De polyritmische pioniers van de jaren 90, zoals Aka moon en Steve Coleman is hij een beetje uit het oog verloren; de liefde voor de rechte grooves van de Headhunters en Weather Report laat zich meer en meer gelden. Het moderne eclecticisme van de jongste generatie ziet hij met lede ogen aan. “Ik vind de jonge musici te gek, die wil ik zeker niet afzeiken! Maar soms is het teveel collage, net als verschillende bouwstijlen in een stad. De componenten zelf kunnen nog veel verder worden uitgediept.”

BIM

Het derde glas IJwit is besteld, hetgeen mag, want hij is met de trein. Maar dat is dan wel de laatste, want morgen moet er weer gewerkt worden en vergaderd. Andersen is namelijk voorzitter van het bestuur van de Beroepsvereniging van Improviserende Musici. De BIM zet zich sinds de jaren ’70 in voor de belangen van jazz en geïmproviseerde muziek en musici in Nederland; er wordt meegedacht over het kunstbeleid en men streeft naar behoud van speelplekken, fatsoenlijke beloning voor artiesten, eerlijke verdeling van gelden.

Corona

Met name in deze tijd van corona-crisis heeft Andersen het druk. “De telefoon staat roodgloeiend. Ik word momenteel benaderd uit vele hoeken. De sector is met een wurggreep voor 100% buiten werking gezet, en velen dreigen buiten het nu opgestelde vangnet te vallen. We geven informatie over TOZO en steunmaatregelen van de rijksoverheid. Ook met andere bonden en verenigingen; we bundelen de krachten in de sector en treden gezamenlijk op richting Den Haag.” Bij sommige vergaderingen gaat het er heet aan toe, geeft hij toe. Maar hij is er de man niet naar om te schreeuwen, zegt hij bijna verontschuldigend, “te allen tijde blijf ik respectvol en beleefd. Als voorzitter streef ik altijd naar constructieve samenwerking.”

Brief

Middels een brief sloot TWA zich aan bij de vele noodkreten en specifieke problemen die de Kunstenbond aandraagt en namens de BIM richt Andersen speciaal de aandacht op artiesten die de kleinschalige podiumkunst zoals jazz- en improvisatie-muziek levend houden in dit land. “De meeste kunstenaars werken niet voor groot gewin, maar om het leven voor iedereen interessanter te maken, voor reflectie en entertainment. Zij geven zoveel plezier en diepgang aan onze samenleving. Maar er zit wel een grens aan wat nog mogelijk is om te overleven, ook als kunstenaar. Wij vragen aan de kamer om de jazzmusici en kleine podia te steunen, nu in deze zware tijd, maar ook in de nabije toekomst.”


[PJ_©STAB]