SPECIAL / BOEK RECENSIE


JAN REETZE

TIMES AND SOUNDS

Germany’s Journey from Jazz and Pop to Krautrock and Beyond (Halvmall 2020)


Tekst: Laurent Sprooten


[Deel I]


Krautrock: Made in West-Germany

Kraftwerk, CAN, Guru Guru, Amon Düül II, Popol Vuh, Faust, Tangerine Dream, NEU!, Embryo; zo kunnen we nog wel even doorgaan. Duitsland kende in de jaren zeventig op muziekgebied een creatieve hausse, die destijds misschien niet direct en overal even hard doordrong, maar die wel tot in onze dagen zijn invloed doet gevoelen. De mannen van Kraftwerk worden zeker in de VS gezien als voorlopers van de elektronische dansmuziek, CAN pionierde als een band die de studio min of meer als muziekinstrument gebruikte en de trance-opwekkende lineaire ritmes van NEU! worden door veel jonge indie-bands genoemd als inspiratiebron. De gangbare term waaronder deze Duitse groepen worden geschaard is krautrock. Misschien niet toevallig is er de laatste jaren sprake van een heuse stroom aan publicaties over de eigengereide rock-variant van onze oosterburen. Ze komen niet alleen uit Duitsland zelf, maar ook uit de VS, Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië en Tsjechië. Krautrock wordt door de retro-beluste nieuwere generaties liefdevol omarmd.







Reis door de tijd

Als je krautrock wilt begrijpen, kan het geen kwaad de geschiedenis in te duiken. Dat geldt misschien niet alleen voor deze subcategorie van de grote rock-familie, maar als het - zoals in dit geval - om een Duits, meer precies om een West-Duits fenomeen gaat, ligt het voor de hand om een flinke reis door de tijd te maken. Een recent boek met een flinke pretentie van historische volledigheid is Times & Sounds, Germany’s Journey from Jazz and Pop to Krautrock and Beyond van Jan Reetze. Deze auteur, geboren in 1956 en dus oud genoeg om ten minste een deel van de hoogtijdagen van de krautrock te hebben meegemaakt, doet in zijn lijvige boekwerk het enig juiste: hij leunt diep achterover en zoomt in en uit om zo het hele tijdsgewricht met al zijn ontwikkelingen en persoonlijke netwerken te kunnen overzien, die aan de krautrock voorafgingen en het klimaat schiepen, waarin deze typisch West-Duitse verschijningsvorm van de rock tot bloei kon komen. De verhaallijn van het boek leidt uiteindelijk organisch naar de nieuwe vormen, waarin deze unieke muziek uitmondde.

Sauerkrautband

Reetze begint met de mededeling dat het onmogelijk is een sluitende definitie van krautrock te geven. Hij houdt het heel slim bij de vage aanduiding ‘German rock music from the late 1960s to the late 1970s’. Een definitie zou alleen maar een eindeloze aaneenrijging van karakteristieken opleveren. De term zelf zou door Britse popjournalisten zijn opgepikt na het verschijnen van Psychedelic Underground, het eerste album van Amon Düül uit 1969, waarop het nummer Mama Düül und ihre Sauerkrautband spielt auf staat. Toen de band Faust in 1973 het nummer Krautrock uitbracht, was de term dus al gemunt.


Belangrijker is het om de bodemgesteldheid van het West-Duitse maatschappelijke en culturele landschap halverwege de jaren zestig te analyseren. De oorlog was inmiddels twintig jaar voorbij, het door het Amerikaanse Marshallplan in werking gestelde Wirtschaftswunder van de jaren vijftig begon serieus zijn glans te verliezen, jongeren begonnen zich massaal te verzetten tegen het heerszuchtige establishment dat pijnlijk doorspekt was met ex-nazi’s. En net als in de meeste West-Europese landen was er ook in West-Duitsland een revolte aan universiteiten. Deze zou in extremis tot een anarchistische kruistocht tegen het Amerikaanse imperialisme en de ondemocratische uitwassen van de nog jonge Bondsrepubliek leiden.


Schlagers en jazz

Op muziekgebied leken de jaren vijftig aanvankelijk naadloos door te lopen in de jaren zestig. Alomtegenwoordig op radio en televisie was de Schlager, het Duitse levenslied, meestal gesitueerd op een groene heide, een grazige alpenwei, een havencafé of een schip op de grote vaart (Junge, komm bald wieder). Daarnaast was ook de jazz een dominante kracht in het West-Duitse entertainment (Unterhaltung!) en dan met name de gepopulariseerde big band-swing van orkestleiders als Bert Kaempfert en Hans (later James) Last. Jazz had namelijk ook in Duitsland een traditie; veel jazz werd tijdens het nationaal-socialistische regime dan wel als ‘entartet’ bestempeld, het was geen verboden muziek. Vanaf de jaren vijftig ontstond er zelfs een moderne jazz scene, waarin musici als Klaus Doldinger (geestelijk vader van de jazzrock-band Passport en componist van de Tatort-tune), Gunter Hampel, Hans Koller en Peter Brötzmann toonaangevend waren. In dit ontluikende jazz-circuit vinden we echter ook musici terug, die hun stempel op de krautrock zouden drukken, zoals Mani Neumeier, oprichter van Guru Guru, en Jaki Liebezeit, de onvolprezen drummer van CAN



Vetkuiven

Niet minder belangrijk is de inslag die de rock’n roll in de jaren vijftig veroorzaakte. Rock’n roll werd destijds niet op de officiële radiozenders gedraaid, maar werd wel uitgezonden door de zenders van de Amerikaanse (AFN) en Britse (BFBS) troepen die in West-Duitsland gestationeerd waren. Ook kon je plaatjes van Elvis Presley en Bill Haley in de juke boxen van ijssalons en jongerencafés vinden. Rock’n roll werd de lijfmuziek van de Halbstarken (nozems), West-Duitse vetkuiven die tegen de burgerlijke stroom in wilden gaan. En begin jaren zestig waren het The Beatles zelf die vanuit de Star Club in Hamburg de beat-rage ontketenden. De eigenaar van de Star Club, ex-bokser Horst Fascher, haalde in het kielzog van het succes van The Beatles talloze rock’n roll- en beat-bands uit Engeland (voornamelijk Liverpool), de VS, Frankrijk, België en zelfs Nederland naar zijn stad en stuurde ze vervolgens op tournee door de Bondsrepubliek. Dit zorgde ervoor dat er in het hele land bandjes werden geformeerd, die hun eigen West-Duitse versie van het beat-idioom gingen spelen, met als bekendste The Rattles en The Lords.

Avant-garde

Intussen was begin jaren vijftig een nieuw mediabestel in het leven geroepen, waarbij in de wetgeving werd gebeiteld dat alleen publieke omroepen uitzendrechten hadden. Verder zou iedere deelstaat zijn eigen zender krijgen, waarmee de bezettingsmachten wilden voorkomen dat er een centraal geleid en propagandagevoelig systeem kon worden opgetuigd. Commerciële zenders werden geweerd; dit systeem hield stand tot in de jaren tachtig. Er werd goed geld in de omroepen gestoken, iedere deelstaat wilde zich bewijzen, zeker op cultureel gebied. Hoogwaardige jazzorkesten als de NDR Big Band en de WDR Big Band hebben hier hun bestaan en faam aan te danken. De WDR (Westdeutscher Rundfunk) wierp zich überhaupt op als de avant-garde van de West-Duitse omroepen. In 1951 werd in Keulen de Studio für Elektronische Musik des WDR opgericht, waar vanaf 1963 niemand minder dan Karl-Heinz Stockhausen de scepter zwaaide. De studio was in de jaren zestig en zeventig een van de belangrijkste aanjagers voor nieuwe elektronische muziek ter wereld. De NDR (Norddeutscher Rundfunk) bleek een groot pleitbezorger van de nieuwe jazz, met name via de reeks Jazzworkshop van pianist Michael Naura die o.a. Keith Jarrett, Soft Machine en Jan Garbarek al vroeg naar de studio haalde. De WDR was in de jaren zestig dan weer voorloper op het gebied van pop en rock met de tv-programma’s Beat-Club (vanaf 1965), Musikladen en Rockpalast.

Protest en geweld

De aanzet tot een ingrijpende breuk in de West-Duitse maatschappij werd gegeven in West-Berlijn op 2 juni 1967, toen de sjah van Perzië en zijn echtgenote een officieel bezoek brachten aan de gedeelde stad. Er waren protesten in de straten van Berlijn tegen de despotisch regerende sjah die door linkse studenten gezien werd als een zetbaas van de VS. Sjah-gezinde Perzische studenten begonnen met geweld op de protestmars in te hakken en de Berlijnse politie deed er nog een flinke schep bovenop. In deze chaos werd de student Benno Ohnesorg door een politieagent doodgeschoten. Hiermee had de studentenbeweging haar eerste martelaar in de strijd tegen het ‘fascistische regime’, zoals de regering nu werd genoemd. Een deel van de beweging radicaliseerde.





Laboratorium

Middelpunt van het protest was de West-Berlijnse Kommune I, aanvankelijk als een soort woongroep opgericht door de über-hippies Fritz Teufel en Rainer Langhans. Al snel werd de Kommune I een laboratorium voor nieuwe, politiek gemotiveerde leefvormen. Nadat een deel van de Kommune I zich in München had gevestigd, ontwikkelde de opvolger Kommune II in West-Berlijn zich tot een denktank voor de anarchistische beweging. Hans-Joachim Roedelius, oprichter van elektronica-pionier Cluster, frequenteerde uit nieuwsgierigheid de Kommune II en leerde daar onder meer de latere RAF-terroristen Jan-Carl Raspe, Ulrike Meinhof en Andreas Baader kennen. Roedelius vertelt dat hij uiteindelijk steeds vaker op de kinderen van de constant discussiërende communards paste; hij had niets met de drang naar geweld van de snel radicaliserende Kommune II en besloot zijn eigen protest via zijn muziek te laten klinken.

Rote Armee Fraktion

Nog meer onrust: studentenleider Rudi Dutschke riep in februari 1968 tijdens een massaal protest in West-Berlijn tegen de Vietnam-oorlog alle Amerikaanse soldaten op om te deserteren. Hij werd twee maanden later neergeschoten door een extreemrechtse amokloper. Dutschke overleefde de aanslag, maar moest opnieuw leren lopen en praten. In diezelfde maand, april 1968, vond de eerste terroristische geweldsactie plaats. Andreas Baader en Gudrun Ensslin stichtten een verwoestende brand in een warenhuis in Frankfurt, naar eigen zeggen als protest tegen ‘the people’s indifference about the genocide in Vietnam.’


Volgens auteur Reetze waren deze gebeurtenissen in 1967 en 1968 de trigger voor de oprichting van de eerste West-Duitse terreurgroep ‘Bewegung 2. Juni’ in 1971. Deze beweging pleegde diverse bomaanslagen en bankovervallen en er werden enkele hooggeplaatste personen gekidnapt en vermoord. Niet lang daarna werd de marxistisch georiënteerde ‘Baader-Meinhof-Gruppe’ opgericht, later hernoemd in ‘Rote Armee Fraktion’ (RAF). Deze groep zou met gerichte terreurdaden tot in de jaren tachtig de Duitse staat en zijn gezagsdragers aanvallen. Zeker in de jaren zeventig was de RAF prominent in het nieuws en was het algemene sentiment dat de linkse terreur de status quo van de Bondsrepubliek bedreigde, hetgeen een tijdlang leidde tot uitsluiting (o.m. door ‘Berufsverbote’) van vermeende sympathisanten.

Geboorte-uur van de krautrock

In München brachten de studentenprotesten de meeste mensen op de been. Tijdens de zogenaamde paasrellen (‘Osterkrawalle’) van 1968 leverden meer dan 60.000 jongeren complete veldslagen met de politie. In deze opgefokte atmosfeer in mei 1968 (de exacte datum is niet bekend) vond het eerste publieke optreden plaats van Amon Düül, in een zaaltje van de universiteit van München. Schrijver Jan Reetze markeert deze gebeurtenis als het geboorte-uur van de krautrock. Maar Amon Düül was niet alleen. Rond diezelfde tijd begonnen ook CAN en Guru Guru Groove (later Guru Guru) aan de weg te timmeren. En Amon Düül ging vrijwel meteen na de eerste stuiptrekkingen verder als Amon Düül II in een gedeeltelijk gewijzigde bezetting, na heftige discussies over de artistieke koers.

De genoemde bands waren volgens de schrijver zo belangrijk omdat zij een metamorfose teweegbrachten: zij waren geen kopieën meer van Amerikaanse en Britse voorbeelden, ze maakten iets totaal nieuws, braken radicaal met gangbare songstructuren, lieten de creativiteit vrijelijk ontstaan in lange geïmproviseerde passages, zochten via geestverruimende middelen de psychedelische dimensie op en maakten vaak gebruik van elektronische audiogeneratoren en synthesizers. Hiermee was de uiterste houdbaarheidsdatum van de beat-rage bereikt.


[PJ©2022_LS]


Lees verder > DEEL 2