Oene van Geel & David Braid

10 februari 2019, Het Beauforthuis Austerlitz (Zeist)

Tekst en beeld: Storm Bakker

We schrijven 10 februari, een miezerige zondagochtend, zoals altijd enigszins verdwaald in de naaldbossen van Zeist, op zoek naar het Beauforthuis Austerlitz. Vol verwachting verzamelt zich een handvol mensen in het voormalige kerkgebouwtje, voor een concert van violist Oene van Geel en pianist David Braid. Het is één van de twee concerten die het duo geeft in Nederland (het andere in Splendor Amsterdam). De gemiddelde leeftijd van het publiek wordt door een dertiger nog enigszins binnen de houdbaarheidsdatum getrokken. Dat is overigens helemaal niet erg. Oudere mensen luisteren met veel meer aandacht en rust naar muziek; hun ontvankelijkheid is niet verpest door de hitserige en ongeduldige zap & swipe cultuur. Er geldt diepgang, respect en eruditie en de bereidwilligheid om de muziek op waarde te schatten, zonder dat er gedrogeerd gehost en opdringerig gehijgd moet worden in de zogeheten totaalbeleving, met z’n allen aan de hand van Ahriman & Lucifer op ramkoers naar bevrediging van de lusten. Het publiek in het Beauforthuis mag dan enigszins bejaard zijn, de dames en heren komen voor de muziek, zoals Aristoteles het bedoeld zal hebben: dienende voor aansporing van geest en hart, en leidende tot de bevrijding der ziel van de hartstochten.

Van Geel & Braid

Violist Oene van Geel is wijd en zijd bekend als een veelzijdig improvisator, elementen van jazz, raga, kamermuziek en impro verenigend in een herkenbare en grensverleggende stijl; hij is winnaar van talloze muziekprijzen, variërend van de Jur Naessens Muziekprijs 2000 tot en met de Boy Edgar in 2013. Van Geel is lid van formaties als Zapp4 en Estafest, tevens gast bij tal van gelegenheidsformaties en toonaangevende world jazz artiesten, waarmee hij regelmatig verschijnt in Vrije Geluiden TV, optreedt in binnen- en buitenland en ook kind aan huis is in het Beauforthuis. Behalve altviolist is hij bovendien een veelgevraagd componist in opdracht van progressieve ensembles. Zijn kompaan David Braid (niet te verwarren met zijn naamgenoot uit Wales, eveneens componist en qua uiterlijk zelfs enigszins op hem gelijkend) is bij het Nederlandse publiek minder bekend. De Canadese pianist/componist (geboren in 1975) wordt in zijn thuisland beschouwd als een van ’s lands “true renaissance men“. Althans aan de Engelse zijde van Canada. Dat die scheidslijn zo scherp loopt, vernemen wij van Braid zelf, die zegt dat men in Frans Canada vermoedelijk nog nooit van hem gehoord heeft. Begonnen als jazzpianist, ontwikkelde Braid al snel een eigen idioom waar hij zich als uitvoerend componist mee kon onderscheiden en gaandeweg afslaan in de richting van hedendaagse (eclectische) kamermuziek. Aldus werd hij Special Associate Artist of Sinfonia UK Collective in 2014. Men hoeft geen geleerde psycholoog te zijn om Braid te kunnen duiden als een bescheiden mens met een innemend karakter, wars van uiterlijk vertoon en effectbejag. Hij speelt beheerst en geconcentreerd, maar zonder gefixeerd te zijn, nergens gortig of pathetisch, steevast vertrouwend op zijn artistieke intelligentie, op zijn handen en voeten, die via de toetsen en pedalen de piano laten spreken en de gewenste klankwereld uitmeten. Braid heeft een linkerhand die onafhankelijk van de rechter kan fungeren, ook in vreemde maatsoorten, die volop in zijn composities voorkomen. Braid is zodoende de ideale sparringpartner van de alleskunner Van Geel, sinds jaar en dag de meest veelzijdige improvisator van Nederland, die ook al grossiert in odd-meter technieken ontleend aan Indiase muziek. Dit blijkt ook wanneer hij plaats naeemt op zijn cajon om Braid met een 7/4 op te stuwen naar grote hoogte. Het andere moment speelt hij juist ijle flagioletten en ultrahoge trillers. In het stuk Ny Ålesund, uit zijn repertoire met Mark Haanstra, geïnspireerd op noordse landschappen gefotografeerd met extreem lange sluitertijd, in dit geval Spitsbergen, liet Van Geel nog maar eens blijken dat geen windstreek hem vreemd is.

Joya

Het eerste werk was meteen een uitvoerige suite, volgens Braid geïnspireerd op karakteristieke spelelementen en toonreeksen van Oene, waarbij het hele veelkleurige palet van Van Geel en Braid werd uitgemeten. Het geheel bestond uit ritmisch doorwrochte passages, afgewisseld met uitgesponnen jeremiades, dan weer overbrugd met subtiele mozaïekjes, soms gewoon koud gelast. Beide heren grossierden in virtuoze improvisaties. Het stuk heet ‘Joya’ en doet de naam eer aan. De luisteraars zaten van meet af aan op het puntje van hun stoel en sponnen tevreden bij de hoogstaande binnenkomer. Die bal werd door Van Geel en Braid de hele middag hooggehouden, met een reeks indrukwekkende composities van eigen hand die stuk voor stuk door de heren kort en bondig werden ingeleid en toegelicht, soms beschreven als filmische taferelen. Niet verwonderlijk, want Braid is gelauwerd als componist van filmmuziek. In 2017 won hij "Best Original Score" en "Best Original Song". Braid’s muziek is echter meer dan filmmuziek; klanken worden als het ware beelden van zichzelf, door de pianist in de geest van de luisteraar vastgelegd op de gevoelige plaat. Braid is wat dat betreft een regisserend componist, die het programmatische element tot in de finesse beheerst; een speler die een verhaal vertelt, en tegelijk als een volleerd receptie-estheticus een vinger krijgt achter de wijze waarop de toehoorder het ontvangt. De aimabele Canadees gaf het desgevraagd gretig toe, na afloop van het concert, dat dat zijn streven is en wij konden hem feliciteren met het feit dat hij die middag in het Beauforthuis, in zijn streven zeer zeker geslaagd was. Het gebeurde van het begin tot het eind, dat ons geestesoog gedwee onderhorig was aan het bewogen oor. We betrapten onszelf maar ook de rest van het publiek er op, steevast met gesloten ogen te luisteren naar musici, die waar mogelijk zelf ook met gesloten ogen speelden. Overigens was er wat de pianist betreft sowieso weinig kijkplezier. Hij bespeelde de vleugel, kaarsrecht gezeten met zijn rug bijkans naar het publiek.

Corona Divinae Misericordiae

Beeldende muziek dus, van begin tot eind. Zo was het stuk ‘Floating’ geïnspireerd op een schilderij van een slaphangende mens, gedragen door goddelijke handen. Zonder het werk te kennen werd het tableau vivant met subtiele streken op het doek van de verbeelding geschilderd. Dit stuk, afkomstig uit een orkestsuite genaamd ‘Corona Divinae Misericordiae’ (gebaseerd op het dagboek van de Poolse mystica Helena 'Faustina' Kowalska), begon met een rustig piano-intro in de lage registers, vol parallelle verschuivingen van intervallen, en ongewone afwisseling van majeur en mineur, die wij persoonlijk relateren aan de onreglementaire, statische klankschakering van Eric Satie en aan -maar dat zal alleen de kenners aanspreken- de voicings van de Tsjechische keyboardist Jan Hammer. Dit bedacht hebbende, droomden we weg op een voortkabbelend majeurpatroon, toen plotseling de stilte aan de diskant werd verscheurd door een vioolmelodie, waarin zonder blikken of blozen de kleine terts is verwerkt. We hoorden dit vorig jaar ook al bij het Franse duo Machado (piano) en Ithursarry (accordéon): een lyrisch samengaan van mineur en majeur, wat in een andere muzikale context de nekharen overeind zou jagen, maar kennelijk wel oirbaar is in een Bohemièn duo-setting als deze.

Lele's Tune

Het laatste stuk was geïnspireerd door het dagboek van een Canadese “paper trained soldier” die zonder enige praktijkervaring naar het front wordt gestuurd. Het slotakkoord van dit stuk, een Bb7/9 #11 met een lage Db eronder, (dat Braid na afloop desgevraagd en zichtbaar verheugd uitlegde), was een akkoord dat alle hoop ten grave draagt, als een doodsklok die geluid wordt over het graf van god, verstervend als een nietzscheaans vervaagde horizon. Dat Braid het akkoord in Beauforthuis abrupt afbrak en verving door stilte, was het geluid van een overlijdensbericht dat op moeders deurmat ploft. Daar zette het publiek -dat de collectief tien minuten de adem had ingehouden-, een luid en langdurig applaus tegenover.

Conclusie

Van Geel en Braid speelden het materiaal jaren geleden voor het laatst, en naar verluidt kort voor de optredens in Amsterdam en Zeist in een vluchtige doorloop. Het duo klonk van begin tot eind evenwel hecht en samen, alsof ze wekelijks de studio delen. En dat, terwijl de composities van beide heren niet bepaald eenvoudig zijn en ook waar geïmproviseerd wordt, ritmisch en tonaal het uiterste van beiden gevergd wordt. De muziek moduleert voortdurend, van tooncentra en maatsoorten, en is (op 1 stuk na) een voortdurend speels ontduiken van de wetten van klassieke harmonie. Sommige stukken zijn een voortdurende Trugschluss & Kadenzflucht, voor de improviserende Van Geel een motiverende prikkel, die de strijkende maestro bijna vanzelfsprekend omzet in glansrijke melodielijnen, hier en daar unisono gezongen met heldere stem. In sommige stukken vloeiden deze impro frasen organisch voort uit de gecomponeerde. Dit gaf het duo-concert een levendig cachet, zodat het geen moment verveelde en het publiek met een staande ovatie blijk gaf van de wens tot meer.  

Hulde aan het Beauforthuis, dat zulke ongepoetste paarlen voor de Nederlandse zwijnen durft te werpen. Van de 17.000.000 Nederlanders hadden zich maarliefst 25 naar het podiumkerkje in Zeist begeven om het concert bij te wonen en van dit aantal was vermoedelijk 1/5 gratis naar binnen. Het is een raadsel hoe het Beauforthuis, dat een bescheiden subsidie geniet, dergelijke concerten kan blijven programmeren. Het zal wellicht de reden zijn dat er kennelijk bezuinigd wordt op professionele bediening in het bargedeelte.


[PJ_STAB©2019]