Nederland Muziekland? 09/18

Tekst: Storm Bakker

Graaf Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam / schilder Georges Desmarées

Wie kent ze niet? De 'Concerti Armonici' van Anonymus, later bekend als Graaf Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam? Of de klassiekers van Barones Nomen Nescio, alias Josina van Boetzelaer? Of 'Der Fluyten-Lusthof' van de blinde campanoloog, beiaardier en blokfluitist Jonkheer Jacob van Eyck? Onze edele & adellijke toonkunstenaars uit vervlogen tijden, kroonjuwelen uit onze geschiedenis, parels van onze beschaving. En zijn we niet allen grootgebracht met de Wagneriaanse allure van autodidact Alphons Diepenbrock en de Straussiaanse allure van Johan Wagenaar en de polytonaliteit en kiemceltechniek van de enigmatische vrijmetselaar Willem Pijper? En natuurlijk met Pijpers' leerlingen, waaronder Rudolf Escher, halfneef van de fameuze graficus, en natuurlijk zijn communistische vriend Matthijs Vermeulen. We horen de meester nog vertellen, over hoe het ondergronds gecomponeerde 'Musique pour l'esprit en deuil' in de jaren 40 van Escher in één klap de belangrijkste componist van Nederland maakte. En leerden we op de lagere school ook al niet over de illustere Henriëtte Bosmans? Hoe zij in het achterhuis (van onze cultuur) de overgang van Romantiek naar Modern meemaakte, edoch pardoes verboden werd door de moffen? Hoe daarentegen Henk Badings als lid van de Kultuurkamer zijn entartete musik gewoon aan de Duitse man mocht brengen? En hoe hij na zijn na-oorlogse internering “experimenteerde” met elektronische muziek? En stonden wij niet op voor Jan Boerman, toen hij in 1982 de Matthijs Vermeulenprijs ontving voor zijn gehele elektronische oeuvre? Of voor Tera de Marez Oyens, boegbeeld van de internationaal bewonderde Nederlandse stroming EVM (Electronical Vintage Music)? Uiteraard heeft elke beschaafde landgenoot van haar gehoord, zoniet haar verzameld werk -naast de traditionele Duitse en Russische meesters- breeduit in de platenkast staan. En zijn concerten van Louis Andriessen (hoogleraar in de Scheppende Kunsten aan de Universiteit Leiden) of Theo Loevendie (bekend van Ensemble Ziggurat) niet het leukste dagje uit voor het hele gezin? En stonden we niet allemaal te juichen, toen de ‘Componist des Vaderlands’ Willem Jeths zijn grachtentour hield? Kijken wij sedertdien niet allen reikhalzend uit naar de tonale commentaren op de samenleving van deze "ambassadeur van de Nederlandse klassieke muziek van nu"? Fijn, dat wij in onze samenleving zo bewonderend opkijken naar deze kopstukken van de Nederlandse kunstmuziek en met vereende kracht hun erfenis waarderen en bewaren...

Oranje

Helaas, speculaas. De weinig grote en belangrijke Nederlandse componisten zijn bij het Nederlandse publiek voornamelijk onbekend. De opstand tegen Spanje heeft dan wellicht iets betekend voor de bevrijding van het geweten, aan een bevrijding of opwekking van muzikale inspiratie heeft hij zeker niet bijgedragen. Sinds de dood van Jan Pieterszoon Sweelinck in 1621 is er in Nederland welbeschouwd geen pepernoot gebeurd aan muzikale beschaving, ook niet in de bovenklasse, laat staan in het onderwijs. De bekende muziekjournalist Jan de Kruijff schreef al eens over het peil van educatie: "kinderen krijgen tegenwoordig te vaak van aculturele ouders weinig of geen culturele bagage meer mee." Dit is zeer zeker waar, maar het lijkt een somberstemmend proces dat in Nederland al eeuwen teruggaat. Er is geen interesse voor muziek, er is geen gevoel voor. Schraalhans is sinds 1621 keukenmeester in de Nederlandse muziek, zoals gezegd, op de handvol bovengenoemde bijzondere componisten na: de spreekwoordelijke uitzondering die de regel bevestigt. Dit is goeddeels te danken aan de Calvinistische zuurpruimerij waaronder de kikkerlanders sindsdien gebukt zijn gegaan; aan de zogenaamde handelsgeest, die meer centen haalde uit koopvaardij, slavenhandel, fractional-reserve banking en elitaire schilderkunst. Daarnaast hebben de Oranjes, zowel de stadhouders als de koningen -ondanks hun Duitse komaf-, nooit een blijk van muzikaliteit vertoond; geen blijk van talent, noch van begrip of zelfs maar flauwe interesse voor toonkunst, eigenlijk voor kunst in het algemeen. Zelfs de grootmeester van de vrijmetselarij Prins Frederik der Nederlanden, “de beste vorst die Nederland nooit gehad heeft” (aldus Eric Palmen in zijn recensie over het boek van Anton van de Sande), was in Duitsland wel opgeleid in de geesteswetenschappen en krijgskunde, maar een nitwit op het gebied van muziek, blijkens de vraag die hij tijdens een huisconcert van Clara Schumann in Wassenaar aan de meegereisde Robert Schumann stelde: of meneer ook muzikaal was? Zijn broer Willem II, onze koning, was nog verder vervreemd van de muzische wereld. Hij stelde de conservatieve Johan Verhulst (een leerling van Felix Mendelssohn-Bartholdy en vriend van Robert Schumann) aan als hofkapelmeester. Verhulst verkreeg langs die weg tal van prominente aanstellingen, waardoor hij jarenlang het muzikale klimaat in Nederland kon bepalen en beknotten. Zo hield hij zoveel mogelijk invloeden van de 'Neudeutsche Schule' buiten de deur en verbood hij concerten van Berlioz, Liszt en vooral Wagner, terwijl deze overal de cultuur van Europa naar een hoger plan tilden. En de culturele armoe aan het hof duurt voort tot vandaag de dag, blijkens onze Koning der Nederlanden (Prins van Oranje-Nassau, Jonkheer van Amsberg) Willem IV Alexander, notabene doctorandus geschiedenis (!), die het liefst publiekelijk staat te hossen op DJ Triesto. Het muzikale gen ontbreekt in de oranje genenpoel en wat dat betreft is de hoop aangaande de nazaten gevestigd op de inbreng van Maxima, die graag een kroko-traantje laat bij de nostalgische klanken van Piazzolla. Buiten die waterlanders en een periodieke geste van Prins Claus heeft het Oranjehuis niets bijgedragen aan het muzikale klimaat in Nederland. Alleen daarom al verguizen we de tekst van het volkslied, waarin wij trouw zweren aan Wilhelmus. Het vorige volkslied (gecomponeerd door Johann Wilhelm Wilms (1772-1847) op een gedicht van Hendrik Tollens (1780-1856)), was -de hoopvolle openingszin ten spijt- al niet veel beter: "Wien Neêrlandsch bloed door d'ad'ren vloeit / Van vreemde smetten vrij / Wiens hart voor land en koning gloeit / Verheff' den zang als wij! / Hij stell' met ons, vereend van zin / Met onbeklemde borst / Het godgevallig feestlied in / Voor Vaderland en Vorst / Voor Vaderland en Vorst.” (* Let op: de originele tekst is recent slinks veranderd en in misvormde vorm in omloop gebracht via wikipedia).

Frisia non cantat

Maar als we goed kijken, zien we dat er eigenlijk nooit muziek in de Nederlanders heeft gezeten. 'Frisia Non Cantat', zei de Romeinse geschiedschrijver Tacitus al (De origine, situ, moribus ac populis Germanorem). Er is uit de antieke tijd geen spoor van muzikale beschaving in onze contreien opgedoken. Terwijl op de hoge gronden in de rest van Europa paleontologische schatten zijn opgegraven die een rituaal-muzische inslag bij de prehistorische mens verraden, zoals een 40.000 jaar oude fluit in Duitsland bijvoorbeeld, maar ook de bronzen Luren in Skandinavië, blijft Nederland de brakke grond die het sinds de laatste ijstijd is: zilt en bedorven. De mythologische ‘muzen’ waren bronnimfen en zij vertoefden het liefst bij de bronnen, in de bergen dus, waar de zoete wateren ontspringen, niet aan de kusten waar de rivieren uitmonden - en zeker niet hier… onder zeeniveau achter de duinen, blank getopt of niet. En ook na de Romeinen bleef Nederland gespeend van elke vorm van toonkunst. Zou Albert Delahaye gelijk hebben gehad met zijn Holle Boomstammen-theorie, die leert dat de geschiedenis van Nederland in werkelijkheid historische mythen zijn, ontleend aan Frans Vlaanderen? Dat tussen de 3e en 9e eeuw (toen elders in Europa door lieden als Hilarius en Ambrosius de tempelzang werd geïntroduceerd, waaruit het Gregoriaans zou ontstaan), Nederland door transgressies goeddeels gewoon onder water stond? De troubadours waren een fenomeen in de zwoele bergen van Occitanië, in het zuiden van Frankrijk. Zij daalden liever niet af naar de drassige gronden aan de Neder-Rijn, laat staan dat zij nog verder noordelijk optrokken naar de koude terpen waar de cultuurbarbaren woonden. Alleen in de legendarische verbeelding van de noorderlingen hebben avontuurlijke psalmzangers in Friesland en Groningen rondgetrokken (zoals Bernlef de Blinde). Eerst toen de Hertogen van Brabant aan de macht kwamen, in de 13de eeuw, kwam er -geïnspireerd door de zuiderburen- bewondering voor heraldiek, letteren, kunst en muziek. Hertog Jan I (vooral bekend van het bier) werd zelfs een bekend componist, zij het nogal schunnig van aard en doorgaans in dermate kennelijke staat dat het hem uiteindelijk de kop kostte. De wereldbekende ‘Nederlandse polyfonie’ uit de 15de eeuw was in feite een volstrekt Vlaams-Bourgondische aangelegenheid, inmiddels omgedoopt in Vlaamse Renaissance. Deze werd voorafgegaan door de Italiaanse Renaissance. Kortom: de bloei van de muziek voltrok zich dus ver beneden onze "breede rivieren, die traag door oneindig laagland gaan” (Marsman). De Ars Nova was eveneens een Franse aangelegenheid. Afgezet tegen berglanden als Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk en Italië kent het Nederlandse muziekbedrijf louter magere oogst, ook vóór Sweelinck dus.

Helder gekletter

Zit het 'm in onze volksaard? We leven op een platteland, een delta-laagland aan de zee en kennelijk inspireert dat alleen schilders en dichters, die zich in hun werk gretig op die rivieren en de zee gestort hebben. Er bestaan in de Nederlandse dichtkunst opvallend weinig gedichten over muziek, zeker in vergelijking tot de buitenlandse letterkunst. En als er over muziek wordt gedicht, dan toch slechts in metaforische zin, de klank van de natuur, niet over muziek als zodanig, maar over het woeden van de elementen als parabel van het gereformeerde gemoed. C.S. Adama van Scheltema bijvoorbeeld, schreef: "Als 't avond is, avond aan 't strand en de zee / En de hemel aan flarden van goud en van zwart / En de dreunende golven beschuimen het strand / En de vlokken die beven en rollen en rillen / En het duin is verlaten en eindloos alleen / En ik luister verrukt naar de ruischende zee - / Dan waait soms uit de golven / Een diepe muziek.” Het lijkt wel of de Nederlandse ziel bang is voor muziek, voor de grootsheid ervan, de emotie die het kan losmaken, de onveiligheid, het ongetemde wezen dat in muziek schuilgaat. Adama van Scheltema: "Als 't avond is, avond aan 't strand en de zee / En de nacht weekt mij af van de schamele aarde / En bevleugelt mijn ziel als een donkeren vogel / Dan wil ik grijpe' al de sterre' en de stede' en de golven / En dan luidt mijn lijf als een klok op de duinen / En dan wil ik leven en kussen en zingen - / En dan gilt door mijn hart / Een wilde muziek!” De wilde muziek wordt getemd, het zwijgen opgelegd. Muziek als opmaat naar stilte. Hanny Michaelis dichtte: "Luisterend naar de muziek / die wij vroeger samen hoorden, / ruk ik aan mijn verdriet / als een hond aan een ketting. / Violen en fluiten zweven / een zilveren rag / over de afgrond / totdat de stilte / mij weer insluit". Nederlanders lijken afkerig van de vervoering waarin muziek de mens kan brengen, de extase, het surrealistische. Liever ridiculiseren we daarom muziek, zoals Paul van Ostaijen: “helder gekletter klarinettegeschetter”, of dansen we op klompen of digitaal geheipaal.

Meesmuil

Eigenzinnige musici zijn in Nederland een bedreigde menssoort. Ook wat betreft lichte muziek. Het zijn toch vooral de ‘copycats’ die hier bovendrijven en overleven. Instrumentalisten en producers die het Amerikaanse voorbeeld volgen, ofwel juist in een gooi over tegenovergestelde boeg, bandeloos en oeverloos alle regels aan de laars lappen: de instant composing beweging, in feite een residu van de provobeweging. Maar ook die roerige periode ligt alweer enige tijd achter ons, veilig weggestopt in de vergetelheid. De huidige Nederlandse media zijn ingericht als hersenspoel-stations voor commerciële muzak in het nu en de nabije toekomst. Om nog een laatste keer Jan de Kruijff te citeren, die ooit met Han Reiziger zijn bijdrage leverde aan de culturele opvoeding van onze natie: "De ‘low culture’ is langzamerhand zo dominant geworden dat ze de ‘high culture’ verdringt. Zie de aandacht in de media: paginalange verhalen over popsterren in kranten en tijdschriften, kleine hoekjes voor klassiek helden, talloze radiozenders die niet anders dan pop uitzenden, een paar tanende (en vaak slecht gerunde) voor klassiek. Sinds kort schijnt het onmogelijk te zijn in ons land klassieke muziek via de autoradio te ontvangen." Inderdaad. En dit is de laatste jaren alleen nog maar erger geworden. Zelfs de serieuze omroepen laten echte muziek zoveel mogelijk links liggen, zogenaamd omdat er geen publiek voor is. Er zijn op TV slechts twee muziekprogramma’s, waarbij het ene gepresenteerd wordt door een badinerende meesmuil, het andere (waar we verder erg blij mee mogen zijn!) gepresenteerd wordt door een hyperblije souljuffrouw soms dreigt af te glijden naar siso-niveau.

Trots

Inmiddels is het Metropole Orkest, "onze nationale trots" (dat wereldwijd geldt als het beste jazzorkest), alweer op sterven na dood en kunnen slechts drie jazzclubs zich ternauwernood professioneel handhaven. In politiek Den Haag spreekt men al jaren van “linkse hobbies”. Onder het mom van bezuinigingen, zogenaamd noodzakelijk vanwege de vermeende crisis (overigens veroorzaakt door dezelfde mafia), wordt het druppelende subsidiekraantje als gebaar voor de bühne streng dichtgedraaid. De Nederlandse musicus wordt weggezet als een werkschuwe uitvreter, die van zijn hobby zijn beroep wil maken, behalve als hij -ondanks zijn Nederlandse komaf- in het buitenland een fortuin weet te maken. Dan wordt hij of zij bewonderd en het petje afgedaan. Dat dit dan meestal een DJ betreft, die van toeten noch blazen weet en geen enkel instrument beheerst behalve de vleesfluit, maakt niemand nog een moer uit. De consumenten worden en masse naar de arena gevoerd en aan het pulpinfuus gelegd, om in bijzijn van de MP te genieten van DJ Triesto en de Toppers. Tegelijk worden er miljarden op de bevolking verhaald, zodat buitenlanders hier belastingvoordeel kunnen halen; ontelbare miljoenen in de bodemloze noodhulp-aan-Griekenland-put gestort, die linea recta naar geheime Zwitserse bankrekeningen van de internationale wapenhandel verdwijnen; tientallen miljoenen aan materieel gestuurd aan Jihadistische organisaties in hun strijd voor het Kalifaat tegen Assad, ofschoon zij zich schuldig maken aan misdaden tegen de mensheid. Het volk staat erbij en kijkt ernaar en stemt de volgende ronde doodleuk op dezelfde vraatzuchtige, leugenachtige boevenbende, die nevens het zilvergoed ook de doofpotten weer netjes heeft opgepoetst. Het is deze lamlendige Nederlandse volksaard, die de nagel aan de doodkist is van de hogere cultuur in het algemeen, kunstmuziek in het bijzonder.

Filosofie

Dit gezegd hebbende, komen we tot de conclusie, dat behalve de hogere muziek, ook de diepere filosofie aan Nederland voorbij is gegaan. Pythagoras (6e eeuw v. C) was de grondlegger van de mathematische muziektheorie en daarmee de eerste muziekfilosoof ter wereld. Zelf bespeelde hij de Perzische lyra. Volgens Pythogoras reflecteert de harmonische natuur van muziek, de harmonie van de schepping. Zijn religieus-wiskundig concept 'Musica Universalis' (ook wel bekend als 'Harmonie van de sferen') handelt over de verhoudingen van de bewegingen van de hemellichamen, als een vorm van 'musica'. Volgens Plato (een eeuw later) is muziek de belangrijkste stimulans voor de geest en dient het centraal te staan in de opvoeding. Arthur Schopenhauer, de ‘filosoof van de kunstenaars’, bracht muziek in verband met het ‘geheim van de wereld’. Zijn navolger Friedrich Nietzsche, die zelf ook componeerde, bevriend was met Richard Wagner en voortdurend schreef over muziek, meende dat muziek als voornaamste doel heeft onze gedachten naar boven te leiden, zodat het ons verheft. Nietzsche noemde het leven zonder muziek een vergissing. Diens navolger Rudolf Steiner sprak over de geestelijke realiteit van de muziek en over de wijze waarop muziek op het menselijk leven inwerkt; een boodschap aan Nederlandse dovemansoren gericht. Op grond van genoemde filosofen, concluderen we dat de Nederlandse cultuur een langdurige vergissing is, waarin geen geestelijke verheffing kan worden bereikt. Hoe is het in godsnaam zover gekomen?

De Mammon

De Nederlandse cultuur gaat aan zijn eigen criteria ten onder. De Nederlander is liever rijk van bezit en arm van geest, dan andersom. Ons hele waardesysteem is gebaseerd op de kruidenierskassa. In de Nederlandse borst klopt geen hart voor hoge cultuur, zelfs niet voor lage cultuur, er klopt eigenlijk helemaal geen hart. Alleen maar een hongerige bloedpomp. Geld verdienen aan de handel (desnoods in negers), daar zijn we wel goed in, en nadien ongegêneerd wroeten in de kontkerker van ons transatlantisch rolmodel. Schuilen en uithuilen. En maar grootverdienen over de rug van 'de derde wereld', tegelijk met een gespleten tong de olie uit de Arabische aars likken en gevallen lijsttrekkers en ministers wegpromoveren naar de top van de Verenigde Naties of Koninklijke Shell. Er is hier geen geloof, zelfs geen hoop, slechts holle rituelen, gevoelsarm, harteloos, liefdeloos, steenkoud en dor, alles bepaald door de Winst- en Verliesrekening. Voorwaar! - Wij bedrijven hier uitsluitend de Mammon-dienst, onze priesterkoningen voorop, vrekkig wentelend in het slijk der aarde, elkaar verdringend voor het altaar van de antichrist om als eerste de korsten van zijn derde-tempel-kont te kussen. Ziedaar de mens, Wien Neêrlandsch bloed door d'ad'ren vloeit… hij is een lasteraar van Jezus, die hij ’s zondags aanbidt in zijn beeldenloze nepkerk en de andere dagen stenigt met harde cijfers. Welvaart boven welzijn! Weg met muziek!

Aardappel

Voorwaar! - We zijn eigenlijk helemaal niet echt trots op Van Gogh met zijn afzichtelijke kliederschilderijtjes. Het is dat hij tegenwoordig veel poen oplevert in het buitenland, anders had hij van ons part niet zijn oorschelp maar zijn hele hoofd afgeschoten; hetzelfde geldt voor Rembrandt van Rijn, die we berooid en met lege zakken aan zijn einde lieten komen, omdat hij niet wilde dansen voor de Bilderbergers van 1650, die zich verkneukelden in het Paleis op de Dam. Appel en Mondriaan: van hetzelfde laken een pak. We maken er pleepapier van, ten behoeve van de handel en het toerisme. Als het niet zoveel zou opleveren, zouden we er daadwerkelijk onze reet mee afvegen. We zien er de waarde niet van in, behalve in termen van geld. Cultureel ZIJN wij niets meer dan die aardappeleters van Vincent, met hun grove lelijke koppen; de verstandsloze beesten van Nietzsche, die bij het zwakke schijnsel van een olielampje, ogenschijnlijk geestdood met hun armzalige vorkjes in de schotel prikken. Nederland is niet alleen fysiek het laagste en platste land ter wereld; het is geestelijk, cultureel-spiritueel het minst verheven onder de maan. Gelukkig zal Nederland door de volgende zondvloed als eerste verzwolgen worden. Alleen dat al, is een prachtige meevaller bij de zo gevreesde opwarming van de aarde. Keren we terug naar de alles verzuipende transgressie van Delahaye! Ja! Houzee, armen van geest. Het Uur U is nabij… en terecht!